I gave up dreaming for a while

Just another WordPress.com weblog

Archive for the ‘Krabbeltjes’ Category

{Ja ik zei dat het het laatste was wat ik wou, maar ik ben nu eenmaal nooit goed in wiskunde geweest}

with 4 comments

Deeltje 7. Voor 1 tot 6; naar onderen scrollen of op “previous entries” klikken, desnoods twee/drie keer.

De uren tot twaalf uur gingen veel trager dan anders. Zelfs Kat werd gek van het getrommel van zijn vingers op de tafel en bracht die eindeloze voormiddag op de sofa door, terwijl hij in de keuken zat. De gedachten en herinneringen maalden door zijn hoofd alsof ze nooit zouden ophouden met zich aan hem op te dringen. De kans leek hem erg klein en daarom besloot hij ten einde raad zijn heil te zoeken in een smerige tas koffie. Hij lustte eigenlijk geen koffie, verafschuwde het. Zij dronk het dagelijks, gebruikte het als oppepper. Hij had nooit begrepen wat ze er zo geweldig aan vond en deed dat nog steeds niet. Maar ze kreeg hem zover dat hij het dronk. Dat zij in dat godvergeten oord lag af te zien en hij daar was, dat vergat hij eventjes. Met de soundtrack van één of andere film op de achtergrond slenterde hij weer naar Kat toe, zocht zijn spullen bij elkaar en vertrok uiteindelijk een half uur te vroeg. Ze zou misschien nog niet terug zijn. Of niet wakker, maar dat was niet zo heel erg. Het zou erger zijn als… Met een zucht ging hij zitten bij de bushalte. Op de grond, omdat er nu eenmaal geen bankje was en omdat de koffie begon op te spelen. Na een tiental minuten gaf hij over. Met de zure smaak nog in zijn mond ging hij op zoek naar het flesje water dat standaard in zijn rugzak zat. De zure smaak ging weg, de angst voor wat hij aan zou treffen kwam ervoor in de plaats.

De bus liet op zich wachten, maar hij was de enige wachtende persoon. Om de paar minuten kijk hij naar de kerktoren – wat veel makkelijker was dan naar zijn horloge te kijken en vroeg zich dan herhaaldelijk af waarom de tijd zo traag voorbijging. Toen hij de bus in de verte eindelijk zag komen, zocht hij in allerijl zijn OV. Zijn maag speelde weer op toen hij overeind kwam, maar hij negeerde dat. Hij had nu geen tijd te verliezen. Hij moest naar haar toe. Nu. Ze zou wel al wakker zijn. Dat hoopte hij en dat vertelde hij zichzelf, in een poging de knagende onzekerheid weg te nemen. Het was geen grote verrassing dat hij faalde. Hij kende de buschauffeur, die hem aankeek met een blik alsof hij net een bom had ontstoken, niet, deed ook de moeite niet naar zijn gezicht te kijken en zocht zich ergens helemaal achterin een plaatsje. Het was rustig, heel anders dan gisteren. Maar dat was logisch, want gisteren was het marktdag en op marktdag moesten veel mensen naar de stad. Met dergelijke gedachten hield hij zichzelf bezig toen het slopende halfuur eindelijk voorbij was en hij afstapte, niet ver van haar. Hij versnelde zijn pas van zodra de deuren in zicht kwamen en rende haast de parking op. In zijn hoofd maalden vele mogelijkheden, maar hij dwong zichzelf positief te denken. Het bleek hopeloos, maar het was altijd beter dan niets.

Liefs.

Written by bloempot

juli 4, 2007 op 8:34 am

Geplaatst in Krabbeltjes

{Wat ze zei mocht dan wel volstrekt onlogisch klinken stiekem hoopte ik er wel op maar dat vertelde ik haar natuurlijk niet}

with 2 comments

Deeltje 6(?)Vorige: verderscrollen of previous entries.

Het huis was kil. Hij rilde onbewust, ging opzoek naar een trui, maar gaf het algauw op. In zijn T-shirt zou hij het ook wel overleven. Lusteloos probeerde hij te bedenken waar hij nu heen moest. Thuisblijven leek hem niet echt een optie, hij zou verdrinken in zijn eenzaamheidsgevoel en met enkel Kat als gezelschap wist hij dat hij morgen zou ontwaken zoals hij zich nu voelde: leeg. Haar ouders? Zijn ouders? Eender welke familie? Hij bleef verloren naast de sofa staan en ging uiteindelijk langzaam zitten. De telefoon begon te rinkelen, als een ongenode gast die hij liever ver weg zou schoppen. Hij liet het toestel begaan. Geen gasten vanavond. Toch maar thuisblijven dus, dat was nu eenmaal veel rustiger. En veiliger, dat natuurlijk ook. Hij probeerde te bedenken wat hij kon eten, maar slaagde daar niet echt in. Uiteindelijk hield hij het op de diepvriesmaaltijd die hij voor gisteren gepland had. Het smaakte hem niet, maar hij at het op. Omdat zij hem had gezegd dat hij goed op zichzelf moest passen.

Iets na middernacht werd hij wakker uit zijn droomloze slaap. Geen nachtmerries, geen spoken. Hij keek naar het plafond, toen naar de deur. Die stond op een kier, zodat Kat naar binnen kon komen als die dat wou. Doorheen de kier kon hij een vage schaduw zien. Hij probeerde zichzelf wijs te maken dat het vast niets was, maar dat wou niet echt lukken en uiteindelijk dwong hij zichzelf overeind te komen. De vloer voelde koud aan aan zijn voeten en hij wenste dat hij die trui toch gevonden had. Niet dat hij met die trui aan zou zijn gaan slapen. Ach, wat deed het er ook toe. Het liefst was hij gewoon gestopt met denken, maar zelfs dat leek nutteloos. Met een zucht trok hij de slaapkamerdeur volledig open. Poef. Luchtgeest ontmaskerd. Er stond niemand in de gang, natuurlijk niet. Hij ging terug liggen en probeerde in te slapen, maar dat bleek hopeloos. Kat kwam hem vergezellen, rolde zich gezellig tegen de knuffelbeer en lag hem op die manier aan te kijken. Hij draaide zich om. Even geen troostende huisdieren, anders ging hij zich te zielig voelen en dat was niet de bedoeling. Om halfeen, toen hem duidelijk werd dat de kans dat hij de slaap zou vatten zeer klein was, kwam hij weer overeind en ging aan het raam staan. Eigenlijk snakte hij naar een tas koffie, al lustte hij dat niet. Misschien dat hij hoopte dat koffie hem gemakkelijker door de moeilijkste momenten heen zou helpen, hij wist het niet. Want ja, de nachten waren wel het zwaarst. Dat had hij op voorhand kunnen bedenken en dat ondervond hij nu. Hij liep naar de keuken, met Kat op zijn hielen en vroeg zich af of dat dier niet moest slapen. Het licht was te fel aan zijn ogen, dus liet hij het uit en ging in het donker aan tafel zitten. Aan haar plaats. Hij voelde zich bijna een heidene toen hij dat deed, maar deed het wel. Hij had het eventjes nodig dicht bij haar te zijn en hij hoopte dat het zou helpen. Eventjes bleef hij voor zich uit staren. Het hielp niet.

Liefs.

Written by bloempot

juni 29, 2007 op 3:41 pm

Geplaatst in Krabbeltjes

{Wat niet is kan komen, maar daar moet natuurlijk wel een reden voor zijn}

with 3 comments

Greenday – Compilatie [Multimedia Track]

De terugweg duurde veel minder lang. Voor hij het wist stond hij weer aan de voordeur, zijn sleutels te zoeken. Als afgesproken dwaalden zijn gedachten af. Naar haar. Naar die bewuste dag, enkele maanden geleden. Juli was het geweest, toen ze naar familie van haar gingen. Zijn mond trok zichzelf in een onbewuste grimas toen hij de voordeur opende en hij stond oogluikend toe dat de scène zich weer afspeelde. Klik. Steeds hetzelfde. Klik. Zij en haar nichtje. Klik. Hij en haar nichtje. Klik. Hij en zij. Klik. Zij twee en het nichtje. Klik. KLIK. STOP. Nee, niet stoppen. Verdergaan, herinneringen zijn kostbaar.

“Wil je me ronddraaien?” Het nichtje zette een smekend gezichtje op, waar ze zo goed in was. Ronddraaien, dat was een synoniem voor ‘het nichtje optillen onder haar oksels en haar dan zo snel mogelijk in het rondzwieren tot ze allebei duizelig waren’. En zij lachte. Natuurlijk. De volwassenen praatten op het terras, met wijn en chips binnen handbereik. De kleintjes hadden genoeg aan chips en een grote Nicht die hen entertainde, samen met haar vriendje. Het was niet het eerste familiefeest dat hij meemaakte, hij kende het. Allemaal. “Natuurlijk wil ik je ronddraaien”, familiale liefde in haar stem en even later moest hij oppassen voor de schoentjes van het nichtje. “Nog een keer!” gilde deze na enkele momenten, maar ze zweeg. “Gaat het wel?” Hij bezorgd, zoals altijd. Ze trok bleek weg, schudde haar hoofd. “Kom hier.” Zijn arm om haar middel, ze lieten zich samen in het gras zakken tot ze tegen hem aan kon leunen. “Zal ik water gaan halen?” Nee, dat wou ze niet. “Je moet hier blijven, ik wil op je steunen”, fluisterde ze. Hij bleef, bezorgd. Het nichtje stond er verloren bij en hij strekte zijn andere arm naar haar uit. “Kom hier jij.” Verlegen kwam ze bij hem zitten, stilletjes en een beetje huiverig van die oudere jongen – ze was hem nog steeds niet echt gewoon “Je hoeft niet bang van hem te zijn”, glimlachte hij, “hij is heel lief.” Zijn blik zocht de hare, maar ze lag met haar hoofd op zijn schouder en haar ogen gesloten. “Gaat het al beter?” vroeg hij na enkele momenten. “Best wel.” Op het terras had niemand iets gemerkt en behalve de vertederde blikken af en toe lieten ze ook uit niets merken dat ze hen zagen. “Ik ga naar mama”, zuchtte het nichtje, die van het suikerige gedoe niet moest weten en ze trippelde weg. Hij sloeg zijn vrijgekomen arm ook om haar heen en lachte vrijuit naar haar moeder, die met een smalle glimlach naar hen keek en knipoogde. “Ze vinden ons schattig”, fluisterde hij in haar oor. Ze zuchtte. “Je bent ook schattig”, voegde hij daaraan toe. Grijnzend zag hij hoe een lichte blos zich over haar wangen verspreidde. “Je hoeft niet zo rood te worden.” Ze lachte. “De kleur van je T-shirt geeft af”, verdedigde ze zich, de ogen nog steeds gesloten. Hij trok zijn wenkbrauwen op. “Ik heb een beige T-shirt aan.” Stilte. “Ik dacht dat het een rode was.” Een knuffel, er werd niets meer over haar duizeligheid gezegd, hij draaide het nichtje rond en zij zat in het gras naar hen te kijken. Lief als altijd.

Klik. Hij sloot zijn herinneringen af, dacht er niet aan wat ze hadden kunnen voorkomen als ze toen naar de dokter geweest waren. Daar sloot hij zijn ogen voor, uit noodzaak en verdriet. Maar vooral uit schuldgevoel, dat zij had proberen kwijtschelden. Hij torste het mee op zijn schouders. Geen verlichting. Geen engel die plots uit de hemel neerdaalde, gewoon. Schuldgevoel, verdriet en een klein stipje hoop waar hij niet in durfde te geloven.

Deeltje 5. Voor de anderen; verder scrollen en op “previous entries” klikken. Ik wou ze linken, maar dan flipt WP dus dat zal voor een andere keer zijn. Volgende deeltjes komen.

Liefs.

Written by bloempot

juni 26, 2007 op 8:18 am

Geplaatst in Krabbeltjes

{Het prijkt al enkele dagen in mijn msn-naam, misschien als een onbewuste stille hint, maar oordopjes blijken tegenwoordig weer in de mode te zijn}

with 2 comments

Jewel – You were meant for me

Deeltje 4. Voor de anderen naar beneden scrollen.
Of op “previous entries” klikken. Helemaal beneden, ja.

De bus was druk, alsof iedereen in dezelfde richting moest. Hij negeerde het vrouwtje met de zeven plastic zakken en het gelukkige tienerkoppeltje, dat op elkaars schoot zat en zich afgesloten had van de hele wereld, maar daarbij wel heel wat plaats in beslag nam. Een beetje bitter dracht hij terug aan toen zij ook nog zo waren. Hun geluk was maar van korte duur geweest en toen ze elkaar eindelijk weer gevonden hadden, was het niet anders gegaan. Ze hadden daardoor allebei getwijfeld, al weigerden ze dat toe te geven, maar nu viel er niet te twijfelen. Nu moesten ze er gewoon voor gaan. Dat wist hij en dat wist zij, maar het was niet altijd even gemakkelijk. Hij ging op één van de weinige vrije plaatsen zitten en deed zijn best niet op te vallen. Er zat voor zover hij wist niemand op de bus die hij kende, maar je wist nooit. Nadenkend leunde hij met zijn hoofd tegen de ruit, liet zijn ogen langs de voorbijflitsende lantaarnpalen glijden en bedacht wat hij zou zeggen. Hoe hij haar zou omhelzen en zij hem. Hij vroeg zich af wat ze van het eten vond. Zij was altijd degene die kookte en dat deed ze goed, ze zou het wel afschuwelijk vinden.

De chauffeur stopte netjes aan zijn halte. Van daar was het niet ver lopen meer en hij was er voor hij er erg in had. De gangen waren nog steeds even hels, nog niet veranderd. Haar gezicht was nog steeds bleek, maar lichtte nog steeds op toen ze hem zag. Hij knuffelde haar alsof hij haar nooit meer los zou laten, tot ze zachtjes kuchte. “Gaat het?” vroeg hij meteen overbezorgd. Haar blik vertelde hem dat het ging en dat hij moest zwijgen. De TV speelde zachtjes, maar hij wist dat ze niet aan het kijken geweest was naar het saaie spelprogramma. Hij vroeg haar naar het eten en ze schoot in de lach. Haar klacht maakte hem bezorgd, de vraag of hij morgen iets voor haar meebracht weer wat vrolijker. Natuurlijk zou hij dat. Morgen. Hij zou alles doen om haar het woord morgen te horen zeggen, ze moest naar de toekomst kijken, ze moest… “Jij moet dat ook”, waren haar woorden en hij zweeg. Ja, hij moest dat ook. Ze moesten dat samen, zich er samen doorheen slagen, er was geen alternatief. “Nog even”, beloofde ze hem toen hij haar zacht over haar voorhoofd streek. Hij glimlachte. Knuffelde haar, nog eens. “Blijf je nog?” bedelde ze en hij knikte, met een klein lachje. Natuurlijk bleef hij. “Hoe laat kan ik morgen komen?” Het was een omweg voor de vraag die hij eigenlijk wou stellen en dat wist ze. “’s Middags pas, denk ik.” Hij knikte. ‘s Middags. Dat was om twaalf uur. Nog bijna vierentwintig uur wachten. “Kat mist je”, zei hij dan uiteindelijk maar, een beetje onbeholpen. Ze glimlachte, terwijl ze al haar concentratie nodig had om haar opkomende tranen tegen te houden. “Ik mis Kat ook… Zeg… Zeg dat ik snel terugkom”, fluisterde ze en hij knikte. Dezelfde boodschap, telkens weer, tot ze het zelf ook zou gaan geloven.

Liefs.

Written by bloempot

juni 22, 2007 op 10:09 am

Geplaatst in Krabbeltjes

{En als je dan terugkijkt, misschien dat je dan wel zal zien wat het écht betekende al is dat niet echt waarschijnlijk}

with 3 comments

Yasmine – Bird on a wire

Het was eng stil toen hij thuiskwam. Hij hing zijn jas aan de kapstok en om haar te plezieren zette hij zijn schoenen er netjes onder, op zo’n manier dat niemand erover zou vallen. Behalve hijzelf, misschien. Hij zette het raam in de keuken open en daarna dat van de woonkamer, om de geluiden van de kinder op de straat te kunnen horen en bedacht dat hij eigenlijk eten zou moeten koken. Een beetje verloren bleef hij hangen tussen de woonkamer en de keuken en besloot uiteindelijk dat hij niet zoveel honger had. De televisie probeerde de kamer te vullen met schrille vreugde, maar kwam lang niet ver genoeg. Hij vloog langs de verschillende kanalen, maar kon het niet opbrengen lang bij iets te blijven stilstaan. Overmorgen. Overmorgen zou hij… Zou zij… Hij zuchtte. De telefoon ging. Hij liet hem rinkelen, want hij wist dat zij het niet was. Nee, ze zou niet bellen, dat was hun belofte. Geen telefoontjes, geen brieven. Liefde en face, omdat ze niet anders konden en wilden. De kat, die ook maar gewoon Kat heette, trippelde op hoge poten naar hem toe en nestelde zich op zijn schoot. Zoals zij dat gevraagd had, drukte hij een kus tussen Kats oren en bazelde wat over liefde en gemis. Zijn stem brak en Kat keek hem onderzoekend aan, alsof hij zonet gezegd had dat hij zijn eten zelf zou moeten koken. “Ze denkt aan jou. Aan ons”, fluisterde hij tegen Kat, die zachtjes miauwde, in verwarring gebracht door de plotselinge omhelzingen die hem te beurt vielen.

Anders. Dat was het, om wakker te worden zonder haar zachte adem naast zich. Hij probeerde zijn hoofd te verstoppen onder het kussen, maar dat was te klein om zijn gedachten te willen herbergen, tot hij het uiteindelijk opgaf en zijn heil zocht in het ijskoude water, in de hoop dat dat hem wakker zou maken. Hij haastte zich, moest naar haar toe. Ze zou wel blij zijn om hem te zien, dat hoopte hij toch. Nee, dat wist hij. Natuurlijk zou ze blij zijn hem te zien. Het ontbijt was kil, hij negeerde de stilte, maar ritselde met de krant die hij niet las en de boterham, die hij voor drievierde liet liggen. Kat kwam bij zijn voeten zitten, maar hij had alleen behoefte aan háár gezelschap nu. Hij wou haar horen zeggen dat het allemaal goed zou komen, dat hij niet bang hoefde te zijn. Dat en nog veel meer, en daarom trok hij de voordeur achter zich dicht en liep in de richting van de bushalte. Een half uur. En half uur en dan kon hij haar in zijn armen sluiten en vragen hoe het ging… Hij telde de lijnen op het voetpad, de strepen van het zebrapad en de seconden tot de bus er was. Het waren er te veel.

Liefs.

Written by bloempot

juni 17, 2007 op 3:49 pm

Geplaatst in Krabbeltjes

{Het was niet de bedoeling, maar het gebeurde wel, tegen beter weten in maar mét toestemming}

with 2 comments

Yasmine en Thé Lau – De partizane

De gangen waren wit. Met spikkeltjes op de vloeren en niet-heldere lampen die een wel-helder licht uitstraalden. De bloemen in zijn armen wogen als lood. Bloemen. Hij wist dat het stom was. Maar ze wou het zo. “Als je komt, zal je dan bloemen meebrengen?” Dat had ze gevraagd, aan het ontbijt. Ze zag er altijd zo kinderlijk lief uit wanneer haar haren nog ongekamd op haar schouders fladderden en ze hem over de kop chocolademelk aankeek. Hij had de chocolade zelf voor haar gesmolten, omdat hij wist dat ze daar van hield, maar ze was al binnengekomen voor het een verrassing had kunnen zijn. “Ja”, beantwoordde hij haar vraag, “ja, ik breng je bloemen. Wat voor bloemen wil je?” Ze zweeg. “Verschillende. Kleurige bloemen, zodat ik ernaar kan kijken en aan je denken en voor elke bloem een andere gedachte kan verzinnen…” Ze klemde haar lippen weer op elkaar, met een kleine blos op haar wangen.

De vrouw van de bloemenwinkel was heel vriendelijk geweest. Hij echter een beetje aarzelend, omdat hij niet goed wist wat hij moest vragen. Maar ze wist wie hij was. Ondertussen wel al. Uiterst voorzichtig had ze verschillende gekleurde bloemen bijeengezocht. Hij had haar bedankt, zeker vijf keer. Met iets wat een glimlach zou kunnen zijn, klopte hij op de deur. Op haar deur. Wanneer er geen antwoord kwam, duuwde hij de deur voorzichtig open en gluurde om het hoekje. “Hallo”, fluisterde hij, maar ze zei niets. Op zijn tenen sloop hij de kamer binnen en werd meteen overweldigd door een grote golf van liefde. Haar haren lagen in een wrong op het kussen, haar ogen waren gesloten en ze zag er heel… intens uit. Hij liep naar haar toe en ging voorzichtig op de rand van het bed zitten. Zijn zachtheid kon niet verhinderen dat ze wakker werd, maar de stralende lach die ze hem schonk maakte dat alles weer goed. “Ik heb…”, begon hij een zin die hij toch niet af zou maken en toonde haar de bloemen. “Ze zijn prachtig”, fluisterde zij toen hij ze onbeholpen in een vaas zette. Bloemen, daar was hij niet zo goed in. Nooit geweest. “Hoe eh… gaat het?” waagde hij. Ze verdrong de ironische opmerking die ze eerst wou maken, maar vertelde losjes over de mensen en de goede zorgen. Het stond op zijn gezicht af te lezen wat hij daarvan dacht, maar ze uitten die gedachten geen van beiden. “Het is leeg zonder jou”, fluisterde hij in het midden van één haar zinnen. Ze probeerde er nog een grapje van te maken, te zeggen dat zij altijd de gevoelige van hun twee was, maar enkele ogenblikken later lagen ze samen angstig te huilen. “Ik mis jou ook”, snikte ze, “ik mis je veel te erg.” Hij wiegde haar in zijn armen, één van zijn tranen viel op haar gezicht. “Ik lig naast de teddybeer”, antwoordde hij, “hij ruikt nog een beetje naar jouw haren.” Ze lachte door haar tranen heen. “Ik kom binnenkort weer thuis”, beloofde ze. Hij knikte, maar of hij het geloofde wist hij niet. “Wanneer… wanneer… wanneer?” Ze knikte. “Overmorgen. Dat weet je.” Hij knikte opnieuw. Ja, hij wist dat, maar hij wou het toch nog eens vragen. Zien of het niet opeens in een film veranderd was en dat zij misschien zou zeggen dat he opgelost was, dat het niet meer nodig was. Maar nee. “Ik kom morgen weer langs”, beloofde hij. Ze namen afscheid met tranen en knuffels en de kamer leek drie keer zo groot eens hij weggegaan was.

Liefs.

Written by bloempot

juni 16, 2007 op 1:01 pm

Geplaatst in Krabbeltjes

{Als je niets te zeggen hebt, dan heb je ook niets te willen waren haar woorden en ze sloegen me meteen naar beneden}

with 4 comments

Axelle Red – Je t’attends

Het voelde een klein beetje zoals een schoolreis. Of toch zoals de avond vóór een schoolreis. Hoe ze voorzichtig haar spullen in de grote zware koffer stak – die op rolletjes, want ze had niet veel zin om hem de hele weg te dragen – en op het laatste moment dan toch besloot de knuffelbeer thuis te laten. Ze was al lang te oud voor knuffelberen. Hij kwam bij haar zitten toen ze haar lijst overliep, streek nadenkend door haar haren en verborg zijn hoofd in haar hals. Ze voelde dat hij wou huilen, maar dat hij niet mocht van zichzelf. “Ik kom terug”, mompelde in zijn oor en drukte een voorzichtige kus op zijn slaap. Hij keek haar niet aan toen hij zei dat ze niet eens weg mocht gaan, dan hoefde ze ook niet terug te komen en zijn afgewendde blik was zo ongelukkig dat ze een vreemd gevoel in haar maag kreeg. “Wat is het alternatief?” Haar stem was zacht, maar ze wisten beiden het harde antwoord. “Ik weet het”, zuchtte hij. “er is geen alternatief.” Zijn donkere ogen waren nog donkerder dan anders en zijn bruinblonde haren waren nog niet gekamd, als was het al na tienen. Hij was ziek geweest. Had een hele dag in bed gelegen. Ze streek voorzichtig over zijn gezicht, langs zijn ogen, die zo lief keken als hij lachte.

“Neem je de knuffelbeer niet mee?” vroeg hij uiteindelijk, alleen om de stilte te doorbreken. Ze keek hem zwijgend aan. Hij legde zijn hoofd op haar schouder, ging met zijn wijsvinger door haar rode haren en zocht haar blauwe ogen, die ze afgewend hield. “Het was een cadeautje”, fluisterde hij ergens vlakbij haar oor en ze knikte. Aarzelend keek ze hem aan. “Ik zou je te erg missen.” Ze deed haar best om zich groot te houden, maar haar stem was onvast en er blonken tranen in haar ogen. Hij trok haar nog dichter tegen zich aan. “Jij bent de persoon die gemist moet worden”, probeerde hij, maar zijn woorden hadden geen impact en ze begon zachtjes tegen zijn schouder te snikken. Sussend treek hij met zijn hand langs de achterkant van haar grijze T-shirt, raakte met zijn vingertoppen eventjes de rand van haar jeans aan. “Denk aan me”, fluisterde ze tegen de zachte huid van zijn hals en ze voelde hem lachen. “Wat zou ik anders doen.” Het was geen vraag, dus ze hoefde ook geen antwoord te geven. “Ik zal je missen”, ging hij zacht verder, “ik zal missen hoe jij hier nu zit, tegen me aan in deze godvergeten slaapkamer met de saaie beige muren. Verdomme meisje, wat zou ik anders doen dan aan je denken.” Ze snikte nog harder en verborg zich helemaal in zijn armen, haar tranen vermengden zich met zijn blauwe T-shirt met gele letters. “Maar als… als het foutgaat”, huilde ze, “als het mislukt, dan ben jij alleen… en…” Ze raakte niet uit haar woorden, maar klampte zich aan hem vast. Hij klemde haar stevig tegen zich aan en bracht haar haren in de war, zijn idee van ware liefde. “Het zal niet misgaan… Het zal niet misgaan.”

Het vervolg komt. Zo snel mogelijk.Liefs.

Written by bloempot

juni 15, 2007 op 4:19 pm

Geplaatst in Krabbeltjes

{De woorden dreven langzaam naar de oppervlakte, maar ik had geen zin om ze uit het water te halen, erop vertrouwend dat ze zelf wel aan de kant zouden klimmen, maar wetend dat ze dat niet zouden doen}

with 3 comments

Boudewijn De Groot – De blauwe uren

Ik vertrouwde ze. Ik heb mijn woorden altijd vertrouwd. Ik voerde urenlange conversaties met mezelf, woorden uitwisselend en genietend van de klanken en combinaties, zoals ze smaakten als zoete aardbeien met witte poedersuiker die je aanraakt met het puntje van je tong. Letters en woorden waren veilig, iets waar je in kon wegvluchten als je eventjes niet anders kon.

En toen kwam jij. Neen, je kwam niet. Je wás er gewoon opeens, stevig op beide voeten staand, vlak voor me, met je armen wijdopen, zodat ik onmogelijk om je heen kon. En ik raakte mijn woorden kwijt. Voor het eerst in jaren was ik sprakeloos en had ik zelfs geen innerlijk stemmetje meer.

Jij leerde mij de taal van Liefde spreken, iets waar ik niet vertrouwd mee was en als een kleuter volgde ik jouw gebaren en bewegingen, beantwoordde je vragen onwetend en gebruikte je ogen als onbestaand woordenboek omdat er geen alternatief was. Voetje voor voetje schuifelde ik achter je aan, zonder hoofd en zonder hart, want die had ik verloren.

Toen je wegging, kreeg ik mijn woorden terug, maar ik had geen zin meer om ze te gebruiken. Ik wentelde me eenzaam in de kilte, die me ook niet kon verwarmen en zocht mijn heil in ogen waarin niets van jouw liefde te vinden was, maar die ik misschien als een begin of einde zag.

Ik vertrouwde mijn woorden, waarmee ik stilletjes toegaf dat ik van je hield. Ik vertrouwde jou, die ik graag zag, een half leven lang. Tot je dus wegging en ik me ook niet meer aan mijn woorden kon overlaten. Toen heb ik besloten dat ik mijn woorden niet meer wou.

En jou nog minder.

@Evy: ‘t is een krabbeltje hé meiske. Jamaar, ik ken u. ‘t Is dus fictief, voor alle duidelijkheid. (En dat mag het ook blijven!)

Liefs.

Written by bloempot

juni 12, 2007 op 5:57 pm

Geplaatst in Krabbeltjes

{De Latijnse woordjes hebben er niet onder geleden, maar mijn zenuwen jammer genoeg wel}

with 5 comments

<<//>> {Nieks.(Alweer)}

Nog lang nadat je wegging
kijkt de toegekeilde deur
me beschuldigend aan.

Ik was weer vergeten
hoe graag ik je zag
en luisterde niet naar mezelf

         Ik zet dus het raam open
         en laat de zon welwillend binnen
         zodat het aangenamer voor je wordt
         om terug te keren

Euh… Laat ons zeggen dat het geschreven is toen ik drie minuten wakker was en dat dat veel verklaart.:)

Liefs.

Written by bloempot

juni 3, 2007 op 12:33 pm

Geplaatst in Krabbeltjes

{Het is je blik die me elke keer door elkaar schudt en ik kan het niet loslaten}

with 2 comments

<<//>> {Geen idee, een of ander vaag nummer}

“Je mag wel binnenkomen”, mompelde hij en deed al
een stap opzij om haar erin te laten.
En zij keek geschrokken naar zijn uitnodigende blik
en probeerde te bedenken hoe ze zich hieruit moest redden.

“Nee… Nee, ik moet nog… Ik heb echt geen tijd”, vertelde ze
en ze wisten allebei dat het een leugen was.
“Ook niet voor een kop koffie?” trachtte hij haar nog
tot inkeer te brengen, maar ze struikelde achteruit
en schudde haastig het hoofd.

Zijn teleurstelling leek oprecht en ze vond het vreemd.
“Echt niet?” probeerde hij nog en dit keer aarzelde ze.
Zichtbaar. ‘Ik win’, dacht hij, ‘ik win altijd.’ En hij won.
Want zo moest het zijn, hij won immers altijd.

Hij zette koffie voor haar en zij zat aan de keukentafel.
Ongemakkelijk. Alleen. Ze hield al zijn bewegingen in de
gaten. Hij zette de koffie voor haar neer en streek met zijn
wijsvinger over haar pols. Ze trok haar arm niet weg.
‘Ik win, meisje’, dacht hij opnieuw.

“We zouden naar Parijs kunnen gaan”, doorbraken zijn
woorden de stilte die haar zo veilig had geleken. “Enkel
de kop koffie”, smeekte ze. Hij stond op om de tassen weg te
nemen en kwam achter haar te staan. Als een slang liet hij
zijn handen rond haar middel glijden en plaatste zijn hoofd
op haar schouder. Het vertrouwde gevoel overviel haar.

“Het is een mooie stad”, fluisterde hij in haar linkeroor
en het kippevel had haar meteen in zijn macht. “Nee”,
beschermde ze zich, meer tegen zichzelf dan tegen hem.
“Jawel”, grinnikte hij, wetend dat ze toch geen stand kon
houden. “Je zei zelf dat je Parijs graag wou zien…” Hij kende
haar. Het glimlachje om de onhoorbare zucht die ze slaakte
ontging haar.

“Alleen. Ik wil Parijs alleen zien.” Hij glimlachte schalks. “Ik ben
heel geduldig. Je zal geen last van me hebben.” Ze schudde
woest het hoofd. Ze wist het. Ze wist dat het een slecht idee
was gewest om te komen, ze had thuis moeten blijven.

Het werd Parijs. Haar kop koffie resulteerde in levenslang.
 Ze gingen weg als dieven in de nacht met
liefde als hun gids en raadgever. “Je wint altijd”, verzuchtte ze
zachtjes toen hij het autoportier voor haar openhield
en haar tas op de achterbank plaatste. Zijn glimlachje
vertelde haar dat hij daar zelf ook al lang achter was.

Ehh, ja. Ik weet niet zo heel goed wat ik hiervan moet denken. Ik heb het geschreven omdat ik een krabbeltje nodig had voor op mijn destkop (wou een nieuwe achtergrond en zo) en toen kwam dit eruit…

Liefs.

Written by bloempot

mei 26, 2007 op 10:58 am

Geplaatst in Krabbeltjes